
Nog één keer buig ik terug naar mijn kinderjaren. Ik zit soms met een loep de bijna sepiakleurige foto van de boerderij te bekijken, die bij dit stukje staat. Is het voorjaar, najaar? Als ik wat langer kijk, zie ik mezelf in die verdwenen wereld aan komen lopen, altijd van rechts en dan het tuinpad op. Van rechts, omdat ik, meestal samen met mijn moeder, van het station in Boxtel kwam gewandeld. De magie begon al wanneer we door de oude voetgangerstunnel onder het station liepen, met de in het kunstlicht eindeloos glinsterend oplichtende spikkels in de stenen vloer. Kort daarna gevolgd door de magie van de voetbrug over het spoor: de houten treden, de onder je voeten rammelende brug en daarna de trap naar beneden.
De ouderlijke boerderijen van mijn vader en moeder hadden allebei een naam,- die van mijn vader De Donk en die van mijn moeder Het Hemelrijk. Als je goed kijkt, zie je Het Hemelrijk in reliëf op het rieten dak staan.
Achter het raam links van de voordeur bevond zich de ‘mooie kamer’, zelden gebruikt, met goed geboende meubels, prenten aan de muur en hier en daar wat antiek. Ik herinner me dat we daar ’n keer op een zondagavond aten. Mijn grootouders, ouders, enkele ooms en tantes en een handvol kinderen. Mijn ouders, ooms en tantes moeten, bij nader inzien, nog vrij jong zijn geweest. Het was ergens in de tweede helft van de jaren vijftig.
Aan de muur hing een klok, eerlijk gezegd ouder en mooier dan die van ons. En er hing onder andere een grote, negentiende-eeuwse kleurenlitho, vergelijkbaar met de prent die je hier ziet. Alleen: het jongetje op de prent in Het Hemelrijk leek écht op mij, en dat kun je van het kind op deze prent niet zeggen. Dus stel je voor: een winteravond op Het Hemelrijk, een drukte van belang, de hele familie aan tafel, omringd door het licht en de schaduw van de grote lamp boven de tafel. En in mijn herinnering zie ik dan, vaag in dat licht-en-schaduwspel, dat kind dat een uiterst wankel bruggetje over een peilloos diep ravijn oversteekt, veilig aan de hand van zijn engelbewaarder.
De kamer bevatte over bijna de hele lengte een hoge schouw met daarop een aantal antieke borden. In mijn herinnering lichten ze niet op. Misschien stonden ze zo hoog dat ze buiten het bereik van de lamp vielen. Na de dood van mijn grootouders ging een aantal ervan naar mijn moeder en intussen staat een van die borden bij mij op een kast. Ik heb ooit via een code bij de stempel op de achterkant ontdekt dat het bord, gemaakt door de beroemde Sphinx-fabriek van Petrus Regout in Maastricht, uit 1888 dateert. Mijn Boxtelse oma kocht die borden als jong meisje uit de inboedel van een erfhuis.Enkele jaren geleden ben ik in de Mijlstraat in Boxtel de plek gaan zoeken waar de boerderij tot ergens in de jaren zeventig stond. Het lukte me niet. Was het na deze bocht, vóór die boom of toch verderop? Ik bleef aarzelen en vertrok onverrichter zake. Aan de Mijlstraat lag nu een industrieterrein genaamd Hemelrijk.
2 opmerkingen:
Hoi Rien,
Ik ben onder de indruk van je schrijverstalent. Ik vind het jammer dat het stukje niet verder gaat!
Ik zie warempel nog een lijntje met mijn eigen familiegeschiedenis: mijn opa was porceleinschilder in de fabriek van Petrus Regout. Dat was rond 1905. Ik heb het eea uitgezocht over deze fabriek en niet alles was daar even mooi.
Natuurlijk vind ik je blog ook helemaal in stijl qua lay-out: perkament tegen de achtergrond van zijden behang?
Groet, Marja
(mijn 23dingen alias was gettingwebwise)
Een reactie posten